ECLI:NL:GHDHA:2022:2169
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging uithuisplaatsing minderjarige bij pleeggezin met aandacht voor terugplaatsing bij vader
De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind in een pleeggezin heeft verleend. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin via de moederszijde. De vader is het niet eens met de uithuisplaatsing en verzoekt vernietiging van de beschikking.
Het hof verwijst naar de feiten vastgesteld door de rechtbank, waaronder het feit dat het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en dat de minderjarige sinds april 2019 onder toezicht staat. Er zijn zorgen over lijfelijke straffen door de vader, ondanks een veiligheidsplan en hulpverlening. Deze meldingen zijn niet alleen afkomstig van de ex-partner en de weekendpleegmoeder, maar ook van het jeugdteam en kinderdagverblijf.
Het hof oordeelt dat de kinderrechter terecht de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend. Tegelijkertijd benadrukt het hof dat de gecertificeerde instelling alles moet doen om terugplaatsing bij de vader mogelijk te maken, waarbij een strakke termijn niet belemmerend mag zijn. De vader heeft zijn bereidheid tot medewerking aan hulpverlening bevestigd en het hof vindt dat hij moet aantonen dat hij een veilige opvoedomgeving kan bieden.
De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, het beroep van de vader wordt afgewezen. De gecertificeerde instelling wordt opgeroepen om passende hulpverlening te onderzoeken, zoals een ouder- en kindvoorziening, om terugplaatsing te bevorderen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de uithuisplaatsing en benadrukt dat de gecertificeerde instelling zich moet inspannen voor terugplaatsing bij de vader.