Op 5 december 2020 vond een incident plaats waarbij klager betrokken was bij de aanhouding van een derde persoon. Klager deed aangifte tegen een politieambtenaar wegens poging doodslag, mishandeling, discriminatie en valsheid in geschrift. De officier van justitie besloot de politieambtenaar niet te vervolgen voor het toegepaste geweld en valsheid in geschrift, maar wel voor belediging, waarvoor een geldboete werd opgelegd.
Het hof heeft het beklag van klager tegen het niet vervolgen van de politieambtenaar onderzocht. Uit de camerabeelden bleek dat het geweld door de politieambtenaar mogelijk niet volledig proportioneel was, maar gezien de hectische situatie en het geweld van klager en zijn familieleden, achtte het hof strafvervolging voor het geweld niet opportuun.
Echter, het hof constateerde dat de politieambtenaar in het proces-verbaal van bevindingen bewust een discriminerende uitlating en een deel van het toegepaste geweld niet had vermeld, wat voldoende aanwijzingen gaf voor opzet op valsheid in geschrift. Daarom werd het beklag gegrond verklaard en strafvervolging voor valsheid in geschrift bevolen.