In deze civiele zaak vordert appellant betaling van openstaande facturen, vermeerderd met contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wees de hoofdsom en een deel van de rente toe, maar wees de contractuele rente na april 2021 en de incassokosten af. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de contractuele rente van 0,5% per maand op de hoofdsom gegrond is en niet onredelijk bezwarend, en dat de incassokosten conform de toepasselijke algemene voorwaarden en de wet verschuldigd zijn omdat de facturen niet binnen de gestelde termijn zijn betaald. Ook bepaalt het hof dat de betalingen van geïntimeerde eerst op de kosten, daarna op de rente en vervolgens op de hoofdsom in mindering dienen te worden gebracht.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd voor zover het de contractuele rente en incassokosten afwees, en deze vorderingen worden alsnog toegewezen. Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van de rente vanaf 1 mei 2021, de incassokosten en de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.