ECLI:NL:GHDHA:2022:1090
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op arbeidskorting en onvoldoende onderbouwing voor hogere aftrek specifieke zorgkosten
Belanghebbende, alleenstaand en ontvanger van een WAO-uitkering in 2018, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018. Hij vorderde onder meer arbeidskorting en een hogere aftrek van specifieke zorgkosten. De Inspecteur wees het bezwaar af en de Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat hij recht had op arbeidskorting omdat hij in opdracht van de minister van Buitenlandse Zaken werkzaamheden verrichtte en dat hij meer ziektekosten had gemaakt die aftrekbaar zouden zijn. Het Hof verwierp deze stellingen wegens gebrek aan bewijs en omdat een WAO-uitkering niet tot arbeidsinkomen behoort in de zin van de Wet IB 2001.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur de aanslag conform de aangifte had vastgesteld en dat belanghebbende geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot vermindering van de aanslag konden leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.