ECLI:NL:GHDHA:2021:935
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- E.A. Mink
- J.M. van de Poll
- A.A.F. Donders
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep zorgregeling minderjarige na voorlopige bodemuitspraak
Partijen zijn gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2011. De voorzieningenrechter stelde in het bestreden vonnis een voorlopige zorgregeling vast, waarbij omgangs- en verblijfsdagen voor de man werden bepaald. De man ging in hoger beroep tegen deze regeling, terwijl de vrouw incidenteel appel instelde.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat mediation was gestopt en dat de bodemrechter op 2 december 2020 een beschikking had gegeven waarin een bijzondere curator werd benoemd die ook zou bemiddelen. Tevens werd een voorlopige zorgregeling vastgesteld die gelijk is aan de regeling in het bestreden vonnis. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.
Het hof oordeelt dat de kort gedingvoorziening vervalt zodra een bodemuitspraak uitvoerbaar bij voorraad is gedaan of in kracht van gewijsde is gegaan. Omdat de bodemuitspraak een voorlopige zorgregeling bevat die definitief is zolang er geen hoger beroep is ingesteld, heeft de man geen belang meer bij zijn hoger beroep. Het hof wijst daarom zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep af en compenseert de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de man en het incidenteel hoger beroep van de vrouw af en compenseert de proceskosten.