In deze zaak staat de omvang en samenstelling van de nalatenschap van de in 2016 overleden erflater centraal. Appellanten, kinderen uit het eerste huwelijk van erflater, zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. Zij vorderen incidenteel op grond van artikel 843a Rv inzage in alle relevante bescheiden om de nalatenschap 50/50 te kunnen verdelen met geïntimeerde sub 1, de langjarige partner van erflater en executeur.
Het hof overweegt dat appellanten onvoldoende specificeren welke documenten zij wensen in te zien en niet hebben toegelicht waarom deze bescheiden noodzakelijk zijn voor hun stellingen. Geïntimeerde sub 1 heeft reeds uitgebreide informatie verstrekt, waaronder aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over vele jaren, en bezit geen documenten over de nalatenschap van de in 1965 overleden erflaatster.
Gezien de grote hoeveelheid reeds verstrekte stukken en het ontbreken van een concrete omschrijving van de gevorderde bescheiden, oordeelt het hof dat appellanten niet aan hun stelplicht hebben voldaan. De vordering wordt daarom afgewezen. Tevens verklaart het hof appellanten niet-ontvankelijk jegens geïntimeerden sub 2 en 3 wegens gebrek aan belang. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest.