Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 maart 2021
[appellante] ,
Stichting Woonbron,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(...) Probleemomschrijving pand [adres]
- 272,8 gram MDMA (XTC)
- 50,3 gram Ketamine
- Een grammenweegschaaltje met residu van cocaïne
- Meerdere gestolen navigatiesystemen
- Twee tasers (…)”
- een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen Woonbron en [appellante] en [betrokkene 1] met betrekking tot het gehuurde aan de [adres] te Rotterdam buitengerechtelijk is ontbonden met ingang van 30 januari 2020, subsidiair ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellante] c.s. om binnen 5 dagen na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen en ontruimd te houden;
- veroordeling van [appellante] en [betrokkene 1] tot betaling van de verschuldigde huurprijs van € 649,69 bruto per maand tot de datum van ontruiming;
- veroordeling van [appellante] c.s. in de proceskosten, inclusief wettelijke rente vanaf 5 dagen na vonnis tot de dag der algehele voldoening.
incident:
hoofdzaak:
eerstegrief op tegen het oordeel dat de ontbinding onder opschortende voorwaarde toelaatbaar is. De
tweedegrief is gericht tegen het oordeel dat het belang van Woonbron bij ontbinding en ontruiming zwaarder weegt dan het belang van [appellante] bij het behoud van de woning.
ontbindingvan de huurovereenkomst alleen kan plaatsvinden als de woning is gesloten. Deze beperking is in de wet opgenomen omdat de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding moet worden beperkt tot gevallen waarin de woning daadwerkelijk wordt gesloten. Een enkele voorgenomen sluiting is daarvoor niet voldoende. Aan de
ontbindingsverklaringstelt de wet echter geen andere eisen dan dat deze op schrift is gesteld (artikel 6:267 lid 1 BW Pro) en de huurder heeft bereikt in de zin van artikel 3:37 lid 3 BW Pro. Dat betekent dat de ontbindingsverklaring – nadat de burgemeester heeft besloten tot sluiting van de woning – ook voorafgaand aan de daadwerkelijke reeds aangekondigde sluiting van de woning kan worden verzonden, mits de daarin aangezegde ontbinding pas effect sorteert op het moment van de feitelijke sluiting van de woning.
reeds nu voor alsdan, uitsluitend voor het geval de woning daadwerkelijk wordt gesloten”te ontbinden. De in de brief aangezegde ontbinding sorteert dus pas effect op het moment van sluiting van de woning. Daarmee heeft Woonbron aan de eisen van artikel 7:231 BW Pro voldaan en is de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden per 30 januari 2020 (het moment van sluiting van de woning). Het feit dat de ontbindingsverklaring voorafgaand aan de daadwerkelijke sluiting is verstuurd, leidt gelet op wat hiervoor is overwogen niet tot een ander oordeel. Grief 1 faalt.