Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 30 maart 2021
MJP B.V.,
[geïntimeerde] ,
Het verdere verloop van de procedure
Korte samenvatting van de zaak
Beoordeling van het hoger beroep
“ [geïntimeerde] h.o.d.n. [naam eenmanszaak] (g/m) [levenspartner] staan hier totaal helemaal buiten en zijn hierbij geen partij”in het verslag volgt direct na de daarboven vermelde tekst waarin gesproken wordt over nieuwe investeringen/leningen door MJP in het nieuw opgerichte bedrijf op naam van [vader geïntimeerde] ( [naam bedrijf] ), waarover volgens het verslag te zijner tijd afspraken zullen worden gemaakt. Aannemelijk is dat de woorden
“staan hier totaal helemaal buiten en zijn hierbij geen partij”terugslaan op deze nieuwe investeringen/leningen door MJP aan het nieuwe bedrijf [naam bedrijf] , en niet op de reeds bestaande geldleningen van MJP aan [naam eenmanszaak] . Over onder meer deze laatste geldleningen aan [naam eenmanszaak] , waarvan MJP in deze procedure de terugbetaling vordert, is aan het begin van het verslag expliciet vermeld dat het bedrijf [naam eenmanszaak] op naam staat van [geïntimeerde] , en dat zij in principe de last draagt om het financiële tekort in [naam eenmanszaak] op te lossen. Vervolgens is in het verslag vermeld dat MJP ermee akkoord is dat [naam eenmanszaak] eerst de hoogst noodzakelijke facturen mag betalen, zoals die aan de belastingdienst, maar dat [naam eenmanszaak] daarna meteen moet beginnen met het aflossen van de geldleningen aan MJP. Dat in het verslag op diverse punten ook verplichtingen van [naam broer] zijn vermeld is logisch verklaarbaar, aangezien het [naam broer] was die grotendeels de bedrijfsvoering van [naam eenmanszaak] deed waaronder de in- en verkoop van auto’s, maar dit betekent nog niet dat [geïntimeerde] als eigenaar van [naam eenmanszaak] door MJP ontslagen zou zijn van haar verplichtingen uit de namens [naam eenmanszaak] gesloten geldleningsovereenkomsten. Als hiervan sprake zou zijn geweest, dan had het voor de hand gelegen dat dit duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar in het verslag zou zijn vermeld. Daarvan is naar het oordeel van het hof echter geen sprake.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan MJP van een bedrag van € 21.762,97, vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 30 mei 2018 tot aan de datum van volledige betaling;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van MJP tot op 30 januari 2019 begroot op € 1.034,57 aan verschotten (kosten dagvaarding en griffierecht) en € 960,- aan salaris gemachtigde;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van MJP tot op heden begroot op € 2.103,50 aan verschotten (kosten dagvaarding en griffierecht) en € 2.884,- aan salaris advocaat (2 punten tarief III);
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.