ECLI:NL:GHDHA:2021:404
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing beslagverlof wegens betwiste vordering uit misbruik volmacht
De zaak betreft een hoger beroep van de zoon tegen de afwijzing van zijn verzoek om conservatoir beslag te mogen leggen op de goederen van zijn moeder. De zoon baseert zijn vordering op een eerdere kortgedinguitspraak waarbij hij een bedrag aan zijn ouders moest terugbetalen wegens misbruik van een aan hem verleende volmacht.
De moeder en vader waren gehuwd in gemeenschap van goederen, waarbij de zoon een algehele volmacht had gekregen via een levenstestament. De vader is overleden en de moeder heeft de nalatenschap aanvaard. De zoon had betalingen verricht namens zijn ouders en verkocht hun woning. Later werd de volmacht ingetrokken en ontstond een geschil over betalingen en de verkoop van onroerend goed.
De voorzieningenrechter wees het verzoek tot beslagverlof af omdat de vordering van de zoon niet summierlijk was gebleken. Het hof bevestigt dit oordeel, stellende dat de vordering betwist is en onvoldoende onderbouwd om beslag te rechtvaardigen. Daarnaast weegt het belang van de moeder, die anders haar huur niet kan betalen, zwaarder dan het belang van de zoon.
De grieven van de zoon worden verworpen en de beschikking van 8 april 2020 wordt bekrachtigd. De proceskosten worden gecompenseerd zodat elke partij zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot beslagverlof wegens onvoldoende summierlijke grondslag en weegt het belang van de moeder zwaarder.