ECLI:NL:GHDHA:2021:38
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrek specifieke zorgkosten voor behandelingen bij analytisch therapeut
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting 2016 uitgaven voor specifieke zorgkosten opgevoerd, waaronder €3.520 voor behandelingen bij een analytisch therapeut/hypnotherapeut. De Inspecteur erkende slechts een deel van de zorgkosten als aftrekbaar en stelde een hogere drempel vast dan volgens de wet toegestaan. De rechtbank oordeelde dat de behandelingen niet onder de wettelijke definitie van specifieke zorgkosten vielen, omdat de therapeut geen arts was, niet onder begeleiding van een arts behandelde en niet als paramedicus was aangewezen.
In hoger beroep bevestigde het Hof dat de therapeut niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.17 lid 9 Wet IB 2001 en dat de behandelingen daarom niet aftrekbaar zijn als specifieke zorgkosten. Wel stelde het Hof vast dat de door de Inspecteur gehanteerde drempel voor specifieke zorgkosten te hoog was vastgesteld, waardoor het aftrekbare bedrag hoger moest worden vastgesteld en het belastbaar inkomen dienovereenkomstig lager.
Het Hof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €40.429 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €4.802, en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig. Het betaalde griffierecht in hoger beroep wordt aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2016 wordt verminderd wegens onterecht afgewezen specifieke zorgkosten en te hoge drempel.