Deze zaak betreft een geschil tussen een vervoerder en een afzender over de aansprakelijkheid voor schade aan een binnenvaartschip, veroorzaakt door het plooien en zinken van het schip tijdens het laden en stuwen van vloeispaat. De vervoerder stelde dat de afzender tekort was geschoten in haar informatieplicht en aansprakelijk was voor de schade.
De rechtbank Rotterdam wees de vordering van de vervoerder af, omdat de vervoerder verantwoordelijk was voor de stuwage van de lading en de schade het gevolg was van ongelijkmatige verdeling van de vloeispaat. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt vast dat het beding in de vervoerovereenkomst, onder Duits recht, de verantwoordelijkheid voor stuwage bij de vervoerder legt.
Verder oordeelt het hof dat de afzender haar informatieplicht niet heeft geschonden op een wijze die tot aansprakelijkheid leidt, omdat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat kennis van de dichtheid van de vloeispaat tot een andere stuwwijze en het voorkomen van schade zou hebben geleid. De grieven van de vervoerder falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, met veroordeling van de vervoerder in de proceskosten.