ECLI:NL:GHDHA:2021:2569
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak terrorismefinanciering en overtreding Sanctiewet 1977
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het vermeend financieren van terroristische organisaties en het overtreden van de Sanctiewet 1977. Verdachte zou in juni 2016 via een money transfer geld hebben verzonden aan een persoon in Turkije, met de verdenking dat dit geld bestemd was voor gewapende jihadstrijders in Syrië en Irak.
De rechtbank Rotterdam sprak verdachte in eerste aanleg vrij, maar het Openbaar Ministerie ging in hoger beroep. Het hof heeft het bewijs opnieuw gewogen, waaronder getuigenverklaringen en het dossier van het onderzoek. Het hof concludeerde dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte wist dat het geld bedoeld was voor terroristische doeleinden of dat zij opzettelijk middelen ter beschikking stelde aan terroristische organisaties.
Ook het verwijt van overtreding van de Sanctiewet 1977 kon niet worden bewezen, omdat onvoldoende vaststaat dat verdachte bewust tegoeden ter beschikking stelde aan de genoemde organisaties. De aanwijzingen dat de ontvanger geld doorgaf aan buitenlandse strijders waren onvoldoende om het opzet van verdachte aan te tonen.
Het hof bevestigt daarom het vonnis van vrijspraak van de rechtbank Rotterdam, waarbij de gronden van het vonnis zijn aangepast en verbeterd. Verdachte wordt vrijgesproken van alle tenlasteleggingen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van terrorismefinanciering en overtreding van de Sanctiewet 1977 wegens onvoldoende bewijs van opzet.