Deze civiele familierechtelijke zaak betreft een geschil over de hoofdverblijfplaats van een minderjarige dochter van de vader en moeder, die gezamenlijk gezag hebben. De rechtbank had eerder bepaald dat de hoofdverblijfplaats per 22 februari 2021 bij de moeder komt te liggen. De vader is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en verzocht het hof om schorsing van de uitvoering van deze beschikking, zodat de minderjarige voorlopig bij hem kan blijven wonen.
Het hof overweegt dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, waardoor de moeder de hoofdverblijfplaats mag wijzigen ondanks het hoger beroep. Alleen als het belang van de minderjarige bij het behoud van het huidige verblijf zwaarder weegt dan het belang bij uitvoering van de beschikking, kan het hof schorsing toewijzen. Het hof baseert zich op de vaststellingen en oordelen van de rechtbank, waaronder dat de moeder de hoofdopvoeder was, het verblijf bij de vader tijdelijk was en dat de vader het contact tussen moeder en kind heeft belemmerd.
Het hof concludeert dat het belang van de minderjarige bij het voorkomen van opeenvolgende wisselingen in hoofdverblijf niet zwaarder weegt dan het belang bij het snel herstel van de oude situatie, waarbij de moeder de hoofdverblijfplaats heeft. Ook is de verhuizing met de minderjarige besproken, en is deze voorbereid. Daarom wijst het hof het verzoek tot schorsing af en bepaalt dat de verhuizing op 22 februari 2021 doorgaat. Tevens wijst het hof de overige verzoeken van de vader af die samenhangen met het verzoek tot schorsing.