Belanghebbende, een ambtenaar uitgezonden naar Moskou, gaf haar woning in Nederland op als eigen woning voor de inkomstenbelasting 2016. Haar zoon keerde in 2016 terug naar deze woning en stond vanaf 24 augustus 2016 ingeschreven op het adres. De Inspecteur corrigeerde de hypotheekrenteaftrek vanaf die datum omdat de woning niet langer als eigen woning kon gelden.
De Rechtbank oordeelde dat de fictieve binnenlandse belastingplicht van artikel 2.2 lid 2 Wet IB 2001 niet impliceert dat de woning als hoofdverblijf behouden blijft. De zoon voerde een zelfstandig huishouden en werd daarmee een derde in de zin van artikel 3.111 lid 6 Wet IB 2001, waardoor de woning niet langer als eigen woning kon worden aangemerkt. Het beroep op het beleidsbesluit van 2009 en het vertrouwensbeginsel faalden.
Belanghebbende stelde ook dat haar zoon als kraakwacht de woning bewoonde, maar kon dit niet aannemelijk maken. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De proceskosten werden niet toegewezen.