Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het geding
- het dossier van de procedure in eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van 20 september 2017 van de rechtbank Den Haag;
- de dagvaarding in hoger beroep van 11 oktober 2017;
Gerechtshof Den Haag
Deze zaak betreft een hoger beroep in een octrooizaak tussen Mahltig Management- und Beteiligungs GmbH en Intel Benelux B.V. Mahltig was houder van Europees octrooi EP 229 en het afgesplitste EP 062, beide betwist door Intel. Het Europees Octrooibureau heeft EP 229 herroepen wegens gebrek aan inventiviteit en Mahltig heeft afstand gedaan van het Nederlandse deel van EP 062, waardoor het hoger beroep feitelijk zijn belang verloor.
Het hof verklaarde partijen niet-ontvankelijk in hun beroepen en stelde vast dat Mahltig als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van Intel moet vergoeden. De kern van het geschil betrof de hoogte van deze proceskostenvergoeding, waarbij Intel aanspraak maakte op ruim €535.000,- en Mahltig pleitte voor toepassing van de Indicatietarieven, die een lager maximum voorschrijven.
Het hof oordeelde dat de Indicatietarieven niet in strijd zijn met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en ook niet met artikel 14 van Pro de Handhavingsrichtlijn. De tarieven zijn gebaseerd op redelijkheid en evenredigheid en sluiten aan bij de praktijk. Gelet op de complexiteit, omvang en bijzondere omstandigheden van de zaak, waaronder de uitbreiding van de rechtsstrijd en het grote financiële belang, kwalificeerde het hof de zaak als zeer complex.
Daarom achtte het hof een proceskostenvergoeding van €450.000,-, zoals eerder door partijen overeengekomen in eerste aanleg, plus griffierechten van €716,-, redelijk en evenredig. Het hof veroordeelde Mahltig tot betaling van dit bedrag en verklaarde de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Partijen worden niet-ontvankelijk verklaard en Mahltig wordt veroordeeld tot betaling van €450.716,- aan proceskosten aan Intel.