Partijen hadden een affectieve relatie en een gezamenlijke woning gekocht, waarover zij een eenvoudige gemeenschap vormden. Na beëindiging van hun relatie ontstond een geschil over de verdeling van de woning, de peildatum voor de waardebepaling, de bijdrageplicht van de man in lasten na verbreking van de samenwoning, en de verdeling van een SpaarZeker Verzekeringpolis.
De rechtbank had bepaald dat de woning verkocht moest worden en de opbrengst na aflossing van de hypotheek gelijk verdeeld, waarbij de polis aan de vrouw werd toegedeeld met vergoeding aan de man. De vrouw stelde in hoger beroep nieuwe vorderingen, waaronder een verzoek tot uitsluiting van verdeling van de woning voor drie jaar, maar deze vorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een reconventionele vordering in eerste aanleg.
Het hof oordeelde dat de verkoopopbrengst van de woning leidend is voor de verdeling en dat het redelijk was dat de vrouw jarenlang de lasten betaalde, terwijl de man het woongenot niet had en de vrouw de mogelijkheid gaf hem uit te kopen. De rentevordering van de man op de polis werd afgewezen. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en compenseerde de proceskosten in hoger beroep.