Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 2 februari 2021
[appellante] ,
[geïntimeerde] ,
Het geding
De feiten
Het geding in eerste aanleg
in conventie, na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, uit te spreken:
in reconventiegevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [geïntimeerde] om aan haar te betalen primair een bedrag van € 51.002,23, subsidiair een bedrag van € 37.502,23, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2018. Zij heeft aan deze vordering het navolgende - samengevat - ten grondslag gelegd. Zij heeft een afspraak gemaakt met [geïntimeerde] dat de kosten voor renovatie bij de beëindiging van de huurovereenkomst vergoed zouden worden. Van het bedrag ad € 84.648,23 aan renovatiekosten heeft zij een bedrag van € 28.246,- verrekend met de huur tot 30 april 2017. Het aldus openstaande bedrag van € 56.402,23 (€ 84.648,23 minus € 28.246,-) moet nog verminderd worden met een bedrag van € 5.400,- aan huur over de maanden juni en juli 2017 die zij verschuldigd is. Dan resteert een bedrag van € 51.002,23, welk bedrag zij primair vordert. Subsidiair en voor het geval in rechte zou komen vast te staan dat de opzegging van 1 april 2016 niet rechtsgeldig is en de huurovereenkomst eerst eindigt op 31 juli 2019, vordert [appellante] een bedrag van € 37.502,23. Dat is het voormelde bedrag van € 56.402,23
De vorderingen in hoger beroep
De beoordeling in hoger beroep
- zijn de handtekeningen onderaan de door [geïntimeerde] overgelegde (en ter griffie gedeponeerde) huurovereenkomst, gedateerd 1 augustus 2009, bij de namen van [appellante] en [echtgenoot appellante] afkomstig van [appellante] respectievelijk [echtgenoot appellante] ?
- geeft het onderzoek overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil van belang zou kunnen zijn?
De in de huurovereenkomst overeengekomen wijziging van de huurprijs vindt plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI).” [geïntimeerde] is dus contractueel gerechtigd om huurverhogingen door te voeren. Weliswaar kan worden aangenomen dat gebruikelijk is om de huur jaarlijkse met inachtneming van de van overheidswege vastgestelde Consumentenprijsindex te verhogen (vergelijk ook art. 7:250 BW Pro bij woonruimte), maar dit laat onverlet dat in dit geval onduidelijk is wanneer de wijziging zou moeten ingaan. Het hof kan deze leemte in het contract vooralsnog niet invullen. [geïntimeerde] gaat er immers in de inleidende dagvaarding (onder 1.5 en 1.6) kennelijk vanuit dat de huurprijsindexering steeds per 1 juli is ingegaan maar dit strookt niet met de overgelegde brieven. Bij brief van 13 februari 2017 is immers een huurverhoging aangekondigd vanaf 1 januari 2017, terwijl bij brief van 24 november 2014 een huurverhoging per 1 december 2014 is aangekondigd. Nu hierover onduidelijkheid bestaat zullen partijen zich bij akte daarover mogen uitlaten. [geïntimeerde] zal dan ook inzichtelijk kunnen maken op basis van welke CPI-reeks huurverhogingen zijn berekend. Dat er door [appellante] bezwaar is gemaakt tegen de huurverhogingen vanwege gebreken doet aan de huurverhoging niet af nu enkel bij woonruimte dwingendrechtelijk is voorgeschreven dat in zo’n geval geen huurverhoging mogelijk is (vgl. art. 7:250 lid 2 BW Pro). Bovendien heeft [appellante] het bestaan van de gebreken onvoldoende onderbouwd.