ECLI:NL:GHDHA:2021:1268
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voor koolstofanodenproducent
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin een besloten vennootschap was veroordeeld wegens overtreding van milieuregels, met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door het Openbaar Ministerie. De rechtbank had de ontnemingsvordering afgewezen, waarna het OM hoger beroep instelde.
De betrokkene produceert koolstofanoden waarbij schadelijke stoffen vrijkomen. De overschrijding van emissienormen vond plaats tussen 2012 en 2013. Het OM stelde dat de betrokkene voordeel had behaald doordat zij investeringen in rookgasreinigers had bespaard, wat neerkwam op ruim 11 miljoen euro.
Het hof oordeelde dat het voordeel niet noodzakelijkerwijs na het strafbare feit hoeft te zijn verkregen en dat bespaarde kosten als voordeel kunnen gelden. Echter, het hof verwierp de door het OM gepresenteerde scenario's om het voordeel te berekenen. Het eerste scenario ging uit van volledige sluiting, wat niet realistisch was, en het tweede scenario van investeringsbesparing was niet passend omdat toezichthouders geen verdere maatregelen konden afdwingen.
Het hof concludeerde dat onvoldoende betrouwbare gegevens aanwezig waren om het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten en dat de betrokkene open en constructief had samengewerkt met de toezichthouders. Daarom wees het hof de vordering tot ontneming af en vernietigde het het vonnis waarvan beroep.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.