Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 april 2020
[appellant],
Stichting Woonstad Rotterdam,
Het geding
De feiten
De vorderingen en de beslissing van de rechtbank
De vordering in hoger beroep en de grieven
Beoordeling van het hoger beroep
grieven I en IIbetoogt [appellant] dat hij onafgebroken zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij bankafschriften uit de periode 2013-2016 overgelegd. Woonstad heeft er echter terecht op gewezen dat [appellant] geen opeenvolgende set van bankafschriften heeft overgelegd. Zo ontbreken de afschriften in de periode van 25 april 2013 tot 30 september 2013, de periode van 5 oktober 2013 tot en met 11 maart 2014, de periode van 21 oktober 2014 tot en met 19 november 2014, de periode van 2 december 2014 tot en met 8 januari 2015, de periode van 28 maart tot 11 mei 2015, de periode van 26 mei tot 24 juni 2015, de periode van 2 juli tot 10 augustus 2015 en van 25 augustus tot 20 oktober 2015. Het hof kan reeds daarom niet aan de hand van de overgelegde bankafschriften vaststellen of [appellant] in de periode 2013-2016 onafgebroken zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. Bovendien zijn met de pas van [appellant] ook opnames in Rotterdam gedaan in de periode waarin hij volgens zijn eigen stellingen niet in de woning verbleef. De bankafschriften kunnen ook daarom niet aan het bewijs bijdragen. Datzelfde geldt voor de door [appellant] overgelegde kopie van (slechts) twee pagina’s van zijn paspoort. Daaruit blijkt weliswaar dat hij van 23 juni tot en met 20 juli 2016 in Marokko is geweest, maar niet of dat zijn enige verblijf in het buitenland was in de periode 2013-2016, en al helemaal niet dat hij de rest van de tijd in de woning heeft verbleven.