Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 26 mei 2020
De Raad Beheer B.V.,
Verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
“ter financiering van de in het verleden [geleden] verliezen, alsmede ten behoeve van de begrote exploitatietekorten voor het jaar 2011”. Voorts vermeldt de overeenkomt dat Bowlingcentrum tot meerdere zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen haar bedrijfsuitrusting en haar boekvorderingen aan De Raad Beheer zal verpanden. De overeenkomst is namens Bowlingcentrum ondertekend door [opvolgend statutair bestuurder Bowlingcentrum] en namens De Raad Beheer door [bestuurder van appellante] .
“het afsluiten van contracten of overeenkomsten op het gebied van financiering”. Het door Bowlingcentrum gebruikte formulier vermeldt dat het bij de aan De Raad Vastgoed verleende volmacht gaat om een volledige volmacht. Het formulier is namens Bowlingcentrum ondertekend door [opvolgend statutair bestuurder Bowlingcentrum] .
“ter financiering van de in het verleden [geleden] verliezen, alsmede ten behoeve van de begrote exploitatietekorten over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016”een krediet ter beschikking stelt ten bedrage van € 1.680.098,- en (2) dat Bowlingcentrum tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen haar bedrijfsuitrusting en boekvorderingen aan De Raad Beheer heeft verpand. De overeenkomst is zowel namens De Raad Beheer als namens Bowlingcentrum ondertekend door [bestuurder van appellante] , in het laatste geval als vertegenwoordiger (bestuurder) van De Raad Vastgoed.
In Q1 rekening gehouden met een eventueel faillissement en het kwartaal erna (voor de verbouwing in Q3) ook meegenomen wat de effecten van het faillissement zullen zijn”.
met zichzelfals wederpartij verricht. Deze situatie is hier echter niet aan de orde, nu de bestreden rechtshandelingen niet met De Raad Vastgoed maar met De Raad Beheer zijn verricht. De omstandigheid dat De Raad Vastgoed en De Raad Beheer beide door [bestuurder van appellante] worden beheerst en dat [bestuurder van appellante] bij de gewraakte transacties telkens namens beide vennootschappen heeft getekend, doet daaraan niet af. Het bezwaar dat de curator tegen deze rol van [bestuurder van appellante] maakt, komt er immers eerst en vooral op neer dat [bestuurder van appellante] tegelijkertijd voor twee heren is opgetreden. Dit valt echter niet onder het verbod van art. 3:68 BW Pro. Het beroep van de curator op dit artikel gaat derhalve niet op.
“men was al maanden (toen in mijn wetenschap) bezig met het voorbereiden van het faillissement. Zo werden er in de laatste weken bezittingen op pandlijsten gezet en was men al tijden op zoek naar een mogelijkheid om [opvolgend statutair bestuurder Bowlingcentrum] af te komen / onder een transitievergoeding uit te komen”.
ènde registratie daarvan. Gelet op het daaraan verbonden rechtsgevolg betreft de registratie dan ook geen puur feitelijke handeling, maar een rechtshandeling. Het argument dat het dan gaat om een eenzijdige rechtshandeling, zodat in elk geval geen sprake kan zijn van overleg, gaat evenmin op, nu dit miskent dat de curator, naar het hof begrijpt, beoogt te komen tot een vernietiging van het samenstel van rechtshandelingen dat tot de benadeling van de gezamenlijk schuldeisers van Bowlingcentrum heeft geleid. De samenspanning moet geacht worden mede ertoe te hebben geleid dat de aktes van 14 september 2015 alsnog werden geregistreerd, zodat ook deze worden getroffen door een geslaagd beroep op art. 47 Fw Pro.