In deze civiele zaak stond centraal of de primula-planten geschikt waren voor transport bij een temperatuur van 16℃. Appellanten stelden dat de planten onbeschadigd het transport konden doorstaan bij deze temperatuur, terwijl geïntimeerde dit betwistte.
Het hof heeft bewijswaardering toegepast op het rapport en de getuigenverklaring van de schade-expert van appellanten. Deze deskundige heeft de planten pas na het transport gezien en zijn verklaringen waren niet eenduidig over de temperatuur direct voorafgaand aan het transport. Er ontbrak onafhankelijk en overtuigend bewijs dat de planten geschikt waren voor het transport bij 16℃.
Daarmee kon niet worden aangenomen dat de schade tijdens het transport was ontstaan. Het hof concludeerde dat appellanten niet in hun bewijs zijn geslaagd en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.