Belanghebbende, een transportondernemer, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2009 tot en met 2013 vanwege verschillen tussen de financiële administratie en ingediende aangiften. Na bezwaar en een uitspraak van de Rechtbank waarin een deel van de aanslagen werd verminderd, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de beslissing, met name over de vermeende schending van het communautair verdedigingsbeginsel.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt kenbaar te maken voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen. De Inspecteur had belanghebbende tijdig geïnformeerd over de bevindingen van het boekenonderzoek en de te verwachten naheffingsaanslagen, onder meer via gesprekken en het verstrekken van Excel-overzichten met de verschillen.
Verder werd vastgesteld dat belanghebbende niet in zijn bewijslast was geslaagd om de juistheid van zijn aangiften aan te tonen, waardoor de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Wel werd erkend dat een bedrag van €12.095 ten onrechte bij belanghebbende is nageheven voor oktober 2013, omdat de onderneming toen al was ingebracht in een BV. Het hoger beroep werd daarom grotendeels ongegrond verklaard, met uitzondering van deze correctie.