ECLI:NL:GHDHA:2020:912

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2020
Publicatiedatum
18 mei 2020
Zaaknummer
200.264.831/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BWArt. 1:84 BWArt. 137 RvBoek 1 titel 6 BWBoek 3 titel 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding over woningtoewijzing bij echtscheiding

De man is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis in kort geding waarin hij werd veroordeeld de woning aan een eerste adres te verlaten en deze niet meer te betreden, tenzij hij de woning aan een tweede adres aan de vrouw ter beschikking stelt. De vrouw woont inmiddels aan het tweede adres.

De man vorderde vernietiging van het vonnis en wilde dat de vrouw de hypotheek- en vaste lasten van de woning zou betalen als zij deze woning exclusief zou gebruiken. Het hof oordeelde dat de vordering van de man tot betaling van woonlasten niet ontvankelijk is in kort geding en dat deze kwestie in een bodemprocedure moet worden behandeld.

Het hof bevestigde dat beide partijen elkaar het nodige moeten verschaffen, waaronder woongenot, maar dat de procedure zich uitsluitend richt op de ordemaatregel van woningtoewijzing. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de man de woning aan het eerste adres moet verlaten en de vrouw de woning aan het tweede adres mag gebruiken; de verdeling van woonlasten wordt niet in kort geding behandeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.264.831/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/575466 / KG ZA 19-520

arrest van 28 april 2020

inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N.J. Glen-Boedhram te Rotterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.A. van Hecke te Rotterdam.

Het verloop van het geding

De man is bij exploot van 19 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 7 augustus 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, team handel en haven, gewezen tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres, hierna: het bestreden vonnis.
In de appeldagvaarding heeft de man zijn grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.
Tevens heeft hij een incidentele vordering ingesteld, inhoudende schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis.
Bij arrest van dit hof van 12 november 2019 is de incidentele vordering afgewezen.
Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.
Partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en de vrouw heeft arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd, gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Bestreden vonnis 7 augustus 2019

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter als volgt beslist:
5.1.
veroordeelt de man de woning aan de [adres een] binnen vier weken na betekening van dit vonnis te verlaten en deze niet meer te betreden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte ervan, met een maximum van € 25.000,-;
5.2.
bepaalt dat deze veroordeling haar werking verliest indien de man de woning aan de [adres twee] aan de vrouw ter beschikking stelt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.

Vordering man

3. De man vordert dat het het hof moge behagen het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest:
primair: de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen;
subsidiair: alleen voor het geval het hof onverhoopt mocht oordelen dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, in die zin dat de man wordt verboden om de woning aan de [adres een] of [adres twee] te betreden zodat de vrouw de woning met uitsluiting van de man mag gebruiken, dan dient de vrouw te worden veroordeeld tot betaling van de maandelijkse hypotheeklasten en overige vaste lasten verband houdende met de woning aan de [adres een] of de [adres twee] van in totaal € 1.100,- dan wel een beslissing te nemen welke het hof in deze juist acht;
zowel primair als subsidiair: met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

Enige feiten en juridisch kader

4. De man en de vrouw zijn op 10 juli 2008 in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren. De vrouw heeft in 2019 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, waardoor per datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Door de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zijn de bepalingen van boek 3 titel 7 BW van toepassing. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren drie onroerende zaken zoals vermeld in r.o. 2.2 van het bestreden vonnis. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is het huwelijk niet ontbonden, de bepalingen van boek 1 titel 6 BW blijven van toepassing tot het moment dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers.
5. In r.o. 4.4 tot en met 4.8 geeft de rechtbank haar motivering voor haar beslissing. Het hof is van oordeel dat de rechtbank haar oordeel deugdelijk heeft gemotiveerd.

Wat is het belang van de vordering van de man?

6. Uit het arrest in incident van 12 november 2019 van dit hof volgt dat de man woont aan de [adres een] en dat de vrouw inmiddels woont aan de [adres twee] . Uit r.o. 4.8 van het bestreden vonnis volgt dat de man ervoor kan kiezen om in plaats van de woning aan de [adres een] , de woning aan de [adres twee] aan de vrouw ter beschikking te stellen.
7. De man heeft in randnummer 44 van zijn pleitnota in eerste aanleg van de vrouw gevorderd dat, als zij het gebruik krijgt van de woning aan de [adres twee] , zij in ieder geval de maandelijkse hypotheeklasten en overige vaste lasten met betrekking tot deze woning dient te voldoen. In appel handhaaft de man deze vordering.
8. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot ieders bewoning van de woningen aan de [adres een] en de [adres twee] , heeft de man geen belang meer bij de bespreking van de grieven 1 tot en met 6 alsmede de grieven 8 en 9.
9. Uit grief 7 in samenhang bezien met zijn petitum begrijpt het hof dat de man van mening is dat de vrouw de lasten van de [adres twee] dient te voldoen. De man stelt onder meer dat hij deze lasten niet kan voldoen indien hij niet meer de beschikking heeft over de huurinkomsten. De vrouw biedt geen enkel verhaal en achterstanden op de hypotheek leveren schade op voor de gemeenschap.
10. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Het meest verstrekkende verweer is, dat de man in zijn vordering op grond van het bepaalde in artikel 137 Rv Pro niet-ontvankelijk is. In de visie van de vrouw had de man direct bij zijn conclusie van antwoord een eis in reconventie dienen in te stellen.
11. Het hof overweegt als volgt. Het hof beschouwt de pleitnota in het kort geding als een conclusie van antwoord. Naar het oordeel van het hof volgt uit randnummer 44 van de pleitnota evident dat de man een vordering instelt in reconventie. Gezien dit feit is de man in appel ontvankelijk is zijn subsidiaire vordering.
12. Voorts stelt de vrouw dat zij niet weet of de door de man opgevoerde kosten wel kloppen. Uit randnummer 42 van de memorie van antwoord begrijpt het hof dat de vrouw van mening is dat de man haar het nodige dient te verschaffen waaronder woongenoot. In randnummer 44 beroept zij zich tevens op artikel 1:84 BW Pro, zijnde de draagplicht met betrekking tot de kosten van de huishouding. Het hof begrijpt uit dit beroep op artikel 1:84 BW Pro dat volgens de vrouw partijen gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot de lasten van de woning nu hun inkomen gelijk is.
13. Het hof overweegt als volgt. De onderhavige procedure heeft uitsluitend betrekking op het treffen van een ordemaatregel. Op basis van artikel 1:81 BW Pro zijn beide partijen verplicht elkaar het nodige te verschaffen, waaronder mede is begrepen woongenot. Zoals hiervoor al overwogen beschikken beide partijen over een woning. De onderhavige kortgedingprocedure leent zich er niet voor te bepalen hoe de kosten van huishouding in dit specifieke geval moeten worden gedragen. Partijen dienen dit in een bodemprocedure aan de orde te stellen. Op basis van de door de man gestelde gegevens kan het hof niet vaststellen of er voor hem een noodsituatie ontstaat indien de vrouw niet bijdraagt aan de kosten van de woning aan de [adres twee] . Voorts heeft de vrouw de hoogte van het door de man gevorderde bedrag betwist. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen treft de grief van de man geen doel.

Proceskosten

14. Gezien het feit dat er sprake is van (ex-)echtgenoten, is het hof van oordeel dat de proceskosten ook in appel moeten worden gecompenseerd.

Conclusie

15. Nu het bestreden vonnis op goede gronden is gewezen dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis van 7 augustus 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en F. Ibili en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 28 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.