Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 31 maart 2020
[broer van erflaatster]
[zoon van erflaatster] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
- aan de nalatenschap van erflaatster te vergoeden een bedrag van € 24.142,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,- vanaf 6 februari 2017, over een bedrag van € 5.000,- vanaf 7 februari 2017 en over een bedrag van
- om aan de nalatenschap van erflaatster te vergoeden een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017.
Enige achtergrondinformatie
Het geschil
‘testament / wilsbeschikking [erflaatster] ’. In dit bericht heeft erflaatster volgens appellant haar laatste wil opgegeven, onder andere ter zake een voor appellant gereserveerd geldbedrag en ter zake haar auto. Blijkens randnummer 9 van zijn conclusie van antwoord heeft erflaatster in de visie van appellant bij dat e-mailbericht de praktische afhandeling van haar nalatenschap na haar overlijden uit handen willen geven aan appellant.
e-mailbericht van 26 mei 2016 niet meer relevant.
4 februari 2017 is appellant met zijn gezin bij erflaatster op bezoek is geweest. Tijdens dit bezoek heeft erflaatster een sleutel van haar auto en de autopapieren aan de kinderen van appellant gegeven. Omdat een dag eerder ook de schoonmoeder van appellant overleden was, was het gezin van appellant wegens andere prioriteiten in verband hiermee er nog niet aan toegekomen om de auto ook daadwerkelijk op dat moment te laten overschrijven (conclusie van antwoord, randnummer 10). Ter onderbouwing van deze blote stellingen heeft appellant enkel een ongedateerde en niet-ondertekende verklaring van zijn kinderen overgelegd. (productie 6 bij conclusie van antwoord). In hoger beroep heeft appellant in het geheel geen nadere bescheiden - bijvoorbeeld ter onderbouwing van de overlijdensdatum van zijn schoonmoeder - overgelegd.
6 februari 2017 na het overlijden van erflaatster op zijn eigen naam heeft laten zetten en deze in de straat waar hij woont heeft gestald, onderbouwd met een bericht aangaande tenaamstelling van de RDW (productie 6 bij inleidende dagvaarding), alsmede foto’s van de gestalde auto (productie 7 bij inleidende dagvaarding). Appellant heeft deze stelling onbetwist gelaten zodat het hof uitgaat van de juistheid van de stelling van geïntimeerde.