Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 april 2020 (bij vervroeging)
Jantje van Leyden B.V.,
1. [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
De procedure in hoger beroep
Verdere beoordeling van het hoger beroep
(…)met de wens-vraag in het achterhoofd ergens rond dit bedrag ingevuld (…) worden aangaande de bouwkundige inrichting”.
huisvesting: verbouwing”). De investeringsbegroting vermeldt, naast andere posten, ook een post “
gebouwen” van € 145.612,50 en een post “
aanloopkosten” van € 159.000,-;
Zo kreeg ik het schetsontwerp leeg aangereikt als plattegrond van het casco”, aldus de verklaring van [aannemer] . Geconfronteerd met het feit dat de door de advocaat van JvL overgelegde bouwtekening is gedateerd 29 oktober 2013, heeft [aannemer] de volgende nadere verklaring afgelegd: “
Ik hoor mr. [...] vragen hoe het mogelijk is dat ik in 2012 een memo en een kostenraming heb opgesteld op basis van een schetsontwerp op een bouwtekening die pas in 2013 door de architect is gemaakt. Dat weet ik niet. Ik heb mijn aantekeningen gemaakt op de bouwtekening die ik destijds heb gekregen. Daar ben ik vanuit gegaan. Het kan zijn - ik kan me dat allemaal niet meer herinneren - dat ik aantekeningen heb gemaakt op het schetsontwerp bij het screenen van het dossier ter afsluiting. In het kader van de naspeurbaarheid van het dossier”.
gebouwen” waarvan niet duidelijk is of deze deel uitmaakt van de begrote verbouwingskosten. De investeringsbegroting voorziet niet in een aanbetaling op de lease voor fitnessapparatuur. Er wordt rekening gehouden met “
aanloopkosten” van € 159.000,-, maar hoe deze kosten zijn begroot en hoe zij zijn gespreid in de tijd, is niet duidelijk. Gezien de twijfels over de datering en deze onduidelijkheden en omissies kan ook het ondernemingsplan niet dienen als tegenbewijs tegen de veronderstelde financieringsbehoefte.
excessief” was bevonden (memorie na enquête, randnummer 9), in zijn tweede offerte nog steeds van een te luxe verbouwing is uitgegaan. Volgens [geïntimeerde 1] c.s. stond hem onder het motto “
less is more” een andere, soberder inrichting van het fitnesscentrum voor ogen. Gesteld noch gebleken is echter dat [geïntimeerde 1] c.s. [naam 3] heeft gevraagd de tweede offerte verder bij te stellen. Als de tweede offerte niet aansloot bij de wensen van [geïntimeerde 1] c.s., zou dat wel mogen worden verwacht. [geïntimeerde 1] c.s. beschikte op dat moment immers niet over een andere offerte. Als [naam 3] van een te luxe verbouwing is uitgegaan, dan valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet te verklaren dat [geïntimeerde 1] c.s. de bouwtekening van [naam 3] heeft gebruikt voor de vergunningaanvraag, en [naam 3] begin september 2012 kennelijk nog steeds de beoogde aannemer van [geïntimeerde 1] c.s. was. De stelling van [geïntimeerde 1] c.s. dat hem een andere, soberder inrichting van het fitnesscentrum voor ogen stond dan de opzet van [naam 3] staat eveneens haaks op het ondernemingsplan, waarin onder meer is opgenomen dat A4 zich van haar concurrenten moet onderscheiden door een “
trendy, en luxueuze uitstraling, luxe apparatuur en diverse ontspanningsplekken”, dat A4 gebaseerd is op een “
laag drempel concept binnen het hoge segment” en dat A4 met “
kwaliteit en service-gerichtheid binnen het hoog segment” moet concurreren (zie onder 2.2 van het ondernemingsplan).
restant bankgarantie”, (iii) advocaatkosten ten bedrage van € 11.971,40, (iv) een post van € 146.332,81 met als omschrijving “
wettelijke rente en boeterente conform berekening” en (v) een post van € 3.025,- voor “
buitengerechtelijke incassokosten”. Daarnaast heeft JvL een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gevorderd van € 6.135,-, alsmede een veroordeling in de kosten van de procedure, met inbegrip van de beslag- en nakosten. Bij memorie van grieven heeft JvL de post advocaatkosten verlaagd tot € 10.846,48 (memorie van grieven, 3.8).
voor het afgesproken bedrag, voor 1 jaar, van € 10.000,- per maand excl btw en excl servicekosten”. Er staat niet dat JvL en A4 met ingang van 1 september 2012 een verlaging van de huur tot € 10.000,- per maand zijn overeengekomen, zoals [geïntimeerde 1] c.s. beweert. Met het “
afgesproken bedrag, voor 1 jaar, van € 10.000,- per maand” wordt kennelijk gedoeld op de afspraak vastgelegd in de bijlage bij de huurovereenkomst (vgl. productie 18 bij de conclusie van antwoord van JvL in de procedure tussen JvL en A4; alle processtukken in deze procedure zijn door JvL overgelegd als productie 31 in de onderhavige procedure). Volgens deze afspraak kan gedurende maximaal één jaar maandelijks een korting op de huur worden toegepast van € 2.134,38, die in het volgende jaar wordt verrekend met de lopende huur. Het hof sluit zich in dit opzicht aan bij de overweging van de kantonrechter in het vonnis van 21 mei 2014 dat het verschil tussen het bedrag van € 10.000,- per maand en de oorspronkelijk overeengekomen huur geen korting betreft, maar een uitstel van betaling van een deel van de huur met een jaar (vgl. rov. 2.9 van dit vonnis).
restant bankgarantie” van € 759,65, die kennelijk deel uitmaakt van de waarborgsom. In zoverre is de vordering van JvL onvoldoende onderbouwd en komt deze niet voor toewijzing in aanmerking.
wettelijke rente en boete rente conform berekening” is blijkens productie 4 van JvL bij de dagvaarding in eerste aanleg berekend op basis van de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW met een opslag van 2% uit hoofde van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst. De contractuele boeterente verschuldigd op grond van artikel 18.2 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst, kan niet zonder uitdrukkelijk beding naast de wettelijke handelsrente worden gevorderd. In zoverre is de vordering van JvL onvoldoende onderbouwd. Verder zal het hof conform rov. 5.17 van het tussenarrest een korting op de verschuldigde huur toepassen gelijk aan 2,5 maand huur (de periode tussen de aanvraag van de vergunning en de brief van 16 mei 2012, toen [geïntimeerde 1] c.s. er voor het eerst mee werd geconfronteerd dat de door JvL ingediende vergunningaanvraag onvolledig was).
restant bankgarantie” van € 759,65 en “
advocaatkosten” ten bedrage van € 11.971,40 komen niet voor toewijzing in aanmerking om de eerder genoemde redenen. In het oorspronkelijk door JvL gevorderde bedrag van € 872.000,93 is reeds inbegrepen een post van € 3.025,- voor buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde 1] c.s. zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Niet duidelijk is op grond waarvan JvL daarnaast aanspraak kan maken op nog eens € 6.135,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Dat deel van de vordering zal het hof als onvoldoende onderbouwd afwijzen. Ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.025,- zal het hof [geïntimeerde 1] c.s. veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg.