ECLI:NL:GHDHA:2020:846
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige ontruimingsvoorziening bij huurachterstand en geschil over woonruimte
In deze civiele procedure in hoger beroep vordert appellant ontruiming van woonruimte als voorlopige voorziening wegens huurachterstand en vermeende wanprestatie door geïntimeerde. De huurovereenkomst was ontbonden in eerste aanleg wegens wanbetaling, maar de kantonrechter wees de ontbindingsvordering af en veroordeelde alleen tot betaling van de huurachterstand.
Appellant stelt dat geïntimeerde onvoldoende betaalt en de woning onrechtmatig gebruikt, met schade en gevaarlijke situaties als gevolg. Geïntimeerde voert aan dat de huurachterstand grotendeels buiten zijn schuld is ontstaan, hij een WIA-uitkering en huurtoeslag ontvangt, en schuldhulpverlening is aangevraagd.
Het hof oordeelt dat het vereiste verband tussen voorlopige voorziening en hoofdvordering aanwezig is, maar dat appellant onvoldoende spoedeisend belang heeft aangetoond om de uitkomst van de hoofdzaak voor te laten gaan. De lopende huur wordt inmiddels betaald en er is geen aannemelijk bewijs dat ontruiming noodzakelijk is voor spoedige verbouwing of reparatie.
De belangenafweging leidt tot afwijzing van de voorlopige voorziening. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak, en verdere procedurele stappen worden gepland.
Uitkomst: De vordering tot voorlopige ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.