ECLI:NL:GHDHA:2020:772
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak bedreiging wegens ontbreken redelijke vrees
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld tot een taakstraf wegens bedreiging. De bedreiging betrof dreigementen met een pistool gericht aan een aangever in Leiden op 18 december 2017.
Het hof stelde vast dat verdachte de bedreigende woorden weliswaar heeft geuit, maar dat volgens vaste jurisprudentie voor een veroordeling vereist is dat de bedreiging zodanig is dat bij het slachtoffer redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf ook daadwerkelijk zou worden gepleegd. Uit het dossier en de zitting bleek dat dit niet het geval was. De uitlatingen werden eerder gezien als een emotionele ontlading door frustratie en onmacht.
Daarnaast werd meegewogen dat het slachtoffer zelf aangaf laconiek te hebben gereageerd en dat de aangifte was gedaan op aandringen van het bestuur van haar werkgever. Hierdoor ontbrak de noodzakelijke redelijke vrees voor een strafbare bedreiging.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde. Tevens wees het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen af omdat verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van redelijke vrees bij het slachtoffer.