Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 3 maart 2020
[de vrouw] ,
[de man]
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen betreffende de vermeende bedragen uit de kluis, het vermeende kasgeld in de woning en de door hem gestelde schulden bij [naam een] , [naam twee] , [naam drie] , [naam vier] en
- de man te veroordelen in de kosten in beide instanties.
(het hof begrijpt: [naam zes] )betreft en voor het overige het vonnis in stand te houden, alsmede de vordering van de vrouw om de man in de kosten van beide procedures te veroordelen af te wijzen.
Het geschil
(€ 7.000,-) wegens door de man ontvangen voorschotten, waarmee hij drank voor hun feesten/partijen zou aanschaffen
(de vrouw spreekt abusievelijk over dollars, het hof begrijpt dat zij ponden bedoelt)dat partijen op hun winkeltrip van april 2015 naar Londen zouden hebben meegenomen. Volgens de vrouw kan de enkele, kennelijk door de man opgestelde verklaring ter zake die pas twee jaar na de trip naar Londen door zijn familieleden is ondertekend (productie 9 bij de inleidende dagvaarding) niet als overtuigend bewijs van zijn stellingen worden aangemerkt.
overgelegd - die volgens hem afkomstig zijn van [naam vier] .
[naam zes] , waartoe beide partijen, ieder voor de helft, gerechtigd zijn.
27 februari 2015 al weer is ontbonden. De man legt als productie 14 een verklaring gedateerd 20 november 2018 over van [naam zes] , waarin deze onder meer verklaart dat volgens mondelinge afspraak de overeenkomst binnen een bedenktijd van maximaal vijf dagen ontbonden kon worden zonder verdere consequenties, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt.
[naam zes] moet worden bekrachtigd.