Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 31 maart 2020
[appellant],
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief Iis gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen spoedeisend belang bij de vordering is. [appellant] voert aan dat er een huurachterstand is van 5,5 maanden en dat dit een tekortkoming is in de nakoming van de verbintenissen die in principe de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Voor verrekening is volgens [appellant] geen ruimte omdat niet hij, maar [geïntimeerde] zelf gehouden was de voordeur te repareren. [geïntimeerde] heeft zich bovendien niet als goed huurder gedragen omdat hij de woning aan derden in gebruik heeft gegeven. Verder heeft [geïntimeerde] volgens [appellant] meer verrekend dan de gestelde kosten van de deur. Er is een resterende huurachterstand van € 29,03 voor de maand december 2018 en € 2.083,10 voor de maanden januari 2019 tot en met mei 2019. Met
grief IIvoert [appellant] aan dat de kantonrechter bij de te maken belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant]. Een voorwaardelijk aangevoerde
grief IIIheeft betrekking op een verzoek van [geïntimeerde] om huurprijsverlaging wegens onderhoudsgebreken.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 juni 2019;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 324,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris advocaat.