Uitspraak
Uitspraak van 29 oktober 2020
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,
Overwegingen
€ 255.542+
€ 386.840–
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende had voor het jaar 2015 aangifte inkomstenbelasting gedaan met een negatief belastbaar inkomen uit werk en woning en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €24.291. De Inspecteur legde een aanslag op met een verhoogde rendementsgrondslag, onder meer door een vordering op een Limited van €1.103.460 mee te nemen.
De rechtbank had de aanslag gehandhaafd met een waardering van de vordering op 70% van de nominale waarde, waarbij 50% aan belanghebbende werd toegerekend. Belanghebbende stelde dat de Limited was opgeheven en dat de vordering daarom nihil moest worden gewaardeerd. De Inspecteur verwees naar een strafvonnis waaruit bleek dat belanghebbende de werkelijke rechthebbende was en dat het pand slechts op papier van eigenaar wisselde.
De rechtbank oordeelde dat de waardering van de vordering terecht was en dat de hoorplicht niet was geschonden. In hoger beroep bevestigde het Hof deze beoordeling, oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waardering onjuist was en dat de aanslag niet te hoog was vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.