ECLI:NL:GHDHA:2020:2803
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- J.T. Sanders
- U.E. Tromp
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boetebeschikking omzetbelasting wegens niet tijdig indienen suppletieaangiften
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit K B.V. en H B.V., diende reguliere aangiften vennootschapsbelasting in voor 2014 en 2015, waarin bedragen aan verschuldigde omzetbelasting werden vermeld. De Inspecteur startte een boekenonderzoek en legde een naheffingsaanslag en een boete op wegens het niet tijdig voldoen aan de verplichting tot het indienen van suppletieaangiften omzetbelasting.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en handhaafde de boete. Belanghebbende stelde in hoger beroep onder meer dat de boetebeschikking ten onrechte was opgelegd aan de fiscale eenheid, dat zij de boetebeschikking niet had ontvangen, en dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Tevens voerde zij aan dat de boete buitenproportioneel was.
Het Hof oordeelde dat de boetebeschikking terecht was gericht aan de fiscale eenheid en dat de verzending naar het juiste adres aannemelijk was. Echter, het Hof stelde vast dat de Inspecteur geen wettelijke basis had voor het opleggen van de boete op grond van artikel 10a Awr, mede omdat de informatie over de verschuldigde omzetbelasting reeds door belanghebbende was verstrekt in de vennootschapsbelastingaangiften. Het Hof vernietigde daarom de boetebeschikking en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de boetebeschikking en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.