Klaagster, een vrouw met de Nigeriaanse nationaliteit, deed in Nederland aangifte van mensenhandel gepleegd in Italië, waarbij zij tussen november 2016 en februari 2018 werd gedwongen tot seksuele handelingen. De officier van justitie besloot geen vervolging in te stellen wegens het ontbreken van Nederlandse rechtsmacht en onvoldoende aanknopingspunten voor overdracht aan Italië.
De raadsvrouw van klaagster voerde aan dat Nederland wel rechtsmacht heeft vanwege het verblijf van klaagster in Nederland en dat het Openbaar Ministerie onterecht geen rechtshulpverzoek deed. Tevens stelde zij dat artikel 86b Sr in strijd is met EU-recht en dat Nederland positieve verplichtingen heeft om slachtofferrechten te waarborgen.
Het hof oordeelt dat Nederland geen rechtsmacht heeft omdat geen sprake is van een verdachte met Nederland als woonplaats, noch van een slachtoffer met een langdurig rechtmatig verblijf. Ook is onvoldoende informatie beschikbaar voor rechtshulp aan Italië. Het hof vindt artikel 86b Sr niet strijdig met EU-recht en benadrukt dat het EHRM-besluit over het verblijfsrecht niet leidt tot rechtsmacht. Positieve verplichtingen voor overdracht van slachtofferrechten aan Italië worden niet erkend.
Daarom wordt het beklag afgewezen en blijft het besluit van het Openbaar Ministerie om niet te vervolgen in stand.