Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 november 2020
geïntimeerde,
Gerechtshof Den Haag
Partijen zijn ouders van een minderjarige en zijn gescheiden. De man was eerder door de voorzieningenrechter een straat- en contactverbod opgelegd voor zes maanden. De vrouw vordert in hoger beroep opnieuw een straat- en contactverbod tegen de man wegens vermeende bedreigingen en overlast.
Het hof stelt dat het opleggen van een straat- en contactverbod een inbreuk op grondrechten inhoudt en alleen gerechtvaardigd is bij een reële dreiging van onrechtmatig handelen. Uit het dossier en de zitting blijkt dat de vrouw de man tijdens het eerdere verbod soms heeft toegelaten contact te hebben met de minderjarige en dat de vermeende 51 telefoontjes van de man niet konden worden bevestigd omdat ze van een anoniem nummer kwamen.
Ook het door de vrouw genoemde incident waarbij de man haar zou hebben bedreigd en haar auto beschadigd, is onvoldoende onderbouwd omdat het proces-verbaal niet is overgelegd. De begeleiding van de omgang met de minderjarige wordt verklaard door diens jonge leeftijd en onduidelijkheid over de woonomstandigheden van de man.
Het hof concludeert dat geen reële dreiging van onrechtmatig handelen is vastgesteld en dat een straat- en contactverbod daarom niet gerechtvaardigd is. Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden vonnis bekrachtigd. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat het straat- en contactverbod niet wordt toegewezen wegens ontbreken van een reële dreiging.