Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 13 oktober 2020
[appellant] ,
NautaDutilh N.V.,
Het verdere verloop van het geding
Verdere beoordeling van het hoger beroep
“herstelmaatregelen”na ontvangst van de waarschuwingsbrief in december 2009 (punten 3.10, 3.12, 6.2 en 6.2.1 memorie van grieven). Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat [appellant] deze (invulling van de) grondslag van aansprakelijkheid heeft prijsgegeven omdat de samenvatting door [appellant] van de grondslagen van zijn vordering in punt 5.1 van zijn memorie van grieven deze verwijten niet expliciet noemt. Nauta heeft dit ook niet zo mogen begrijpen. Het hof wijst ook op punten 3.2 en 3.5 van de memorie van antwoord in incidenteel appel.
Schadebegroting
a) het bedrag aan ouderdomspensioen en partnerpensioen dat [appellant] op zijn pensioendatum had kunnen aankopen, indien Nauta gebruik zou hebben gemaakt van de in 2009 door NN geboden mogelijkheid om het dreigende pensioentekort te repareren en de pensioenregeling aan te passen, en ook eventueel benodigde pensioenreparaties in de jaren daarna zou hebben verricht. Bij deze berekening dient (telkens) uitgegaan te worden van een reële rekenrente, rekening houdend met het in elk betreffend jaar geldende fiscale minimum, en moet de backservicebeperking in de pensioenovereenkomst 1981 buiten beschouwing worden gelaten;
b) het verschil tussen het bedrag dat volgt uit de berekening onder a) en het bedrag dat [appellant] feitelijk aan de aankoop van pensioen heeft kunnen besteden, waarbij geen rekening dient te worden gehouden met het extra pensioen dat [appellant] heeft aangekocht door het inzetten van zijn winstuitkering;
c) het bedrag dat als (eenmalige) koopsom alsnog moet worden gestort om het onder b) berekende verschil te compenseren.
Het hof zal partijen daarom verzoeken om deze vraag alsnog aan NN voor te leggen op de wijze zoals vermeld aan het slot van dit arrest.
het bij de fiscaal minimale rekenrente behorendedoelvermogen, een aanvullende koopsom te storten. Een andere lezing van het arrest van het hof gaat voorbij aan het oordeel van het hof dat rekening moet worden gehouden met de fiscale minimum rekenrente, en zou de nadere vraagstelling aan NN in het tweede tussenarrest grotendeels overbodig maken. Aangezien de fiscale minimum rekenrente naar het hof begrijpt over de gehele relevante periode 4% is geweest, hetgeen neerkomt op een door NN gehanteerde (bruto) rekenrente van 4,4%, is voor de beoordeling doorslaggevend welk doelvermogen zou zijn bereikt bij een dergelijke rekenrente. De vraag of Nauta gedurende de looptijd van de pensioenverzekering in het kader van de tijdsevenredige affinanciering nog aanvullende koopsommen had moeten storten kan, nu er geen tussentijdse wijziging is geweest van de fiscale minimum rekenrente, bij nader inzien in het midden blijven.
a) de door Nauta overgelegde verklaring van dhr. [naam]; het hof verzoekt [appellant] om deze reactie op voorhand aan NN te zenden, met afschrift aan Nauta, zodat NN hiermee bij de beantwoording van de hieronder vermelde vraag i) rekening kan houden;
b) het verzoek van Nauta aan het hof om zijn eindarrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
i) geeft de verklaring van dhr. [naam], zoals in deze procedure overgelegd door Nauta, en gelet op de (in de overweging 21 hierboven onder a) genoemde) reactie van [appellant] op deze verklaring, u aanleiding om uw berekeningen van de doelvermogens aan te passen?
ii) welk ouderdoms- en partnerpensioen had [appellant] op zijn pensioendatum kunnen aankopen met het opgebouwde doelvermogen behorende bij een tijdens de looptijd gehanteerde rekenrente van 5,5%, zonder rekening te houden met de winstuitkering?
iii) welk ouderdoms- en partnerpensioen had [appellant] op zijn pensioendatum kunnen aankopen met het opgebouwde doelvermogen behorende bij een tijdens de looptijd gehanteerde rekenrente van 4,4%, zonder rekening te houden met de winstuitkering?