In deze civiele procedure stond centraal of de dagvaarding aan appellant rechtsgeldig betekend was. Appellant stond ten tijde van de dagvaarding ingeschreven op een bekend adres, maar de dagvaarding werd openbaar betekend. Het hof oordeelde dat geïntimeerde onvoldoende redelijke onderzoeksinspanningen had verricht om het adres van appellant te achterhalen.
De onjuiste betekening leidt in beginsel tot nietigheid van de dagvaarding. De rechtbank verleende ten onrechte verstek tegen appellant. Appellant voerde terecht aan dat de daad van rechtsvervolging niet in de vereiste vorm was geschied, waardoor de verjaring van de vordering niet was gestuit.
Geïntimeerde erkende dat de vordering uiterlijk op 7 mei 2013 opeisbaar was en dat de verjaringstermijn op 8 mei 2013 begon. Omdat het adres van appellant bekend was, kon openbare betekening niet als stuiting gelden. Het hof vernietigde het vonnis en wees de vordering af wegens verjaring. De kosten van het geding werden aan geïntimeerde opgelegd.