ECLI:NL:GHDHA:2020:151
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens ontbreken wettig bewijs kinderpornografisch materiaal
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens het medeplegen van gedragingen met kinderpornografisch materiaal op een computer in zijn woning.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken. Het Nederlands Forensisch Instituut en het politieonderzoek leverden geen aanwijzingen op die de verdachte koppelen aan het aangetroffen kinderpornografisch materiaal. Zowel de verdachte als zijn partner verklaarden dat de computer voornamelijk door de partner werd gebruikt.
De advocaat-generaal had een straf geëist conform de eerste aanleg, maar het hof vond de omstandigheden onvoldoende om opzet bij de verdachte vast te stellen. Het hof oordeelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was en sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde.
De zaak betrof ernstige beelden van minderjarigen, waaronder foto’s en video's met seksuele handelingen, maar het ontbreken van bewijs van betrokkenheid van de verdachte leidde tot vrijspraak.
Het arrest werd uitgesproken door het hof Den Haag op 4 februari 2020, na behandeling van de zaak in eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid bij kinderpornografisch materiaal.