ECLI:NL:GHDHA:2020:1259
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM in vordering tot ontneming wegens vrijspraak strafzaak
In deze zaak stond de betrokkene terecht in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was opgelegd. Het Openbaar Ministerie had een vordering tot ontneming ingesteld van een bedrag van oorspronkelijk €60.422,22, later beperkt tot €30.211,11.
De politierechter had de ontnemingsvordering toegewezen en de betrokkene verplicht tot betaling van dit bedrag aan de Staat. Tegen dit vonnis was hoger beroep ingesteld. Tijdens het hoger beroep werd tevens de samenhangende strafzaak behandeld, waarin de betrokkene werd vrijgesproken van het ten laste gelegde strafbare feit.
Het hof oordeelde dat vanwege de vrijspraak in de strafzaak het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens vrijspraak in de strafzaak.