Appellanten zijn eigenaren van een woning aan de rivierzijde van een dijk die is verzwaard door het Hoogheemraadschap. Na de werkzaamheden ontstonden geschillen over de staat van de waterkeringswand, ontzanding, trappen en vochtproblemen in de kelder.
De rechtbank had een deskundigenbericht ingewonnen en oordeelde dat het Hoogheemraadschap de situatie kwalitatief gelijkwaardig had teruggebracht, dat ontzanding deels bestond maar maatregelen moesten worden getroffen, dat trappen niet volledig hersteld hoefden te worden en dat vochtschade niet aan de dijkverzwaring kon worden toegerekend.
In hoger beroep werden 48 grieven aangevoerd, die het hof stuk voor stuk verwierp. Het hof onderschreef het deskundigenrapport en het oordeel van de rechtbank, wees de vorderingen af en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep. Het arrest bevestigt dat het Hoogheemraadschap niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat de bewijslast bij appellanten lag.