ECLI:NL:GHDHA:2020:1010
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep geschil legitieme portie en nalatenschap tussen broer en zus
In deze zaak staat een geschil centraal tussen broer en zus over de omvang van de nalatenschap van hun overleden moeder en de aanspraak op de legitieme portie door de zus. De moeder had de broer tot enige erfgenaam benoemd, terwijl de zus zich beroept op haar legitieme portie. Diverse kwesties spelen, waaronder de kwalificatie van de overdracht van een woning, de waardering daarvan, en de vraag of de zus zich wederrechtelijk geld heeft toegeëigend.
De broer vordert in een incidenteel incident de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van een eerder vonnis en zekerheidstelling wegens een groot restitutierisico. Het hof toetst deze vorderingen aan de maatstaven voor schorsing en zekerheidstelling, waarbij het uitgangspunt is dat een vonnis uitvoerbaar blijft tenzij sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die daartoe aanleiding geven.
Het hof oordeelt dat geen sprake is van kennelijke feitelijke of juridische misslagen in de eerdere vonnissen en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die de schorsing rechtvaardigen. Ook het gestelde restitutierisico is onvoldoende onderbouwd. Daarom worden de incidentele vorderingen van de broer afgewezen en wordt hij veroordeeld in de kosten van het incident. De zaak wordt verwezen voor memorie van grieven in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vorderingen tot schorsing van de uitvoerbaarheid en zekerheidstelling af en veroordeelt de broer in de kosten van het incident.