Beoordeling van het hoger beroep
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 6 juni 1994. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, op [in] 1999 en op [in] 2004, die thans bij de vrouw verblijven.
2. Gedurende de echtscheidingsprocedure hebben zowel de man als de vrouw verzocht om het huurrecht van de voormalige echtelijke woning gelegen aan het [adres] (hierna: de woning). De vrouw heeft zich ter zitting bij de rechtbank vervolgens gerefereerd aan dit verzoek.
3. Partijen hebben na de mondelinge behandeling ter zitting bij de rechtbank nadere afspraken gemaakt over de woning.
4. In een e-mailbericht van 13 juli 2018 heeft de advocaat van de vrouw de afspraken als volgt weergegeven:
In opgemelde procedure heeft gisteren de behandeling ter zitting plaatsgevonden. Aangaande de echtelijke woning is het volgende afgesproken:
- de rechter zal in de beschikking het huurrecht aan de man toewijzen;
- de man zal echter geen nakoming van deze bepaling in de beschikking vorderen;
- de vrouw zal tot dat zij andere geschikte woonruimte heeft ontvangen, in de echtelijke woning blijven wonen;
- de man zal niet overgaan tot ontruiming of anderszins nakoming vorderen;
- zodra de vrouw of andere woonruimte beschikt, zal zij de man hierover inlichten.
Zou u de voorgaande afspraken aan mij willen bevestigen?
5. In een e-mailbericht van 18 juli 2018 geeft de advocaat van de man aan dat de advocaat van de vrouw de afspraken die zijn gemaakt in het e-mailbericht van 13 juli 2018 correct heeft weergegeven.
6. In de echtscheidingsbeschikking van 27 juli 2018 is vervolgens bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woning. De beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
7. De echtscheidingsbeschikking is op 11 januari 2019 ingeschreven in de daartoe bestemde registers. De man is met ingang van deze datum in beginsel met uitsluiting van de vrouw gerechtigd tot huur van de woning.
8. De man heeft gevorderd om het bepaalde in de echtscheidingsbeschikking van 27 juli 2018 ten uitvoer te mogen leggen, te weten dat hij met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 11 januari 2019, de huurder zal zijn van de woning en de vrouw om die reden de woning binnen een termijn van een maand na het te geven vonnis dient te verlaten.
9. De voorzieningenrechter heeft de vrouw veroordeeld om de woning binnen drie maanden na betekening van het vonnis te verlaten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt, en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
Vorderingen in hoger beroep
10. De vrouw vordert, zo het hof begrijpt, dat het dit hof moge behagen bij arrest:
I) het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de man in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog in zijn geheel af te wijzen; en
II) de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.
11. De man vordert, zo begrijpt het hof, dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel het door haar gevorderde zal afwijzen.
12. Het hof overweegt als volgt. De kortgedingrechter komt een grote mate van vrijheid toe in de beoordeling of, gelet op alle factoren, een spoedvoorziening is gerechtvaardigd. De man heeft in eerste aanleg onbetwist gesteld dat hij thans niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning omdat hij ingevolge de echtscheidingsbeschikking met ingang van 11 januari 2019 al huurder van de woning is waar de vrouw nog in woont. De man heeft nu geen vaste woon- en verblijfplaats en woont afwisselend bij meerdere familieleden. Deze situatie doet zich in ieder geval al meer dan een jaar voor. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man – mede bezien de aard van zijn vordering – een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Naar het oordeel van het hof is dit spoedeisend belang voor de man nog steeds aanwezig.
13. De vrouw heeft in eerste aanleg niet in reconventie om een ordemaatregel gevraagd met betrekking tot de tussen partijen gesloten overeenkomst aangaande het huurrecht van de voormalige echtelijke woning.
14. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de tussen hen gemaakte afspraken. Volgens de vrouw hebben partijen bewust geen termijn afgesproken waarbinnen zij de woning zou moeten verlaten, omdat zij zich ervan bewust waren dat dit vanwege de woningnood in Den Haag enige tijd kon gaan duren. De man stelt dat partijen bij het opstellen van de afspraken een periode van drie tot zes maanden voor ogen hebben gehad, mede omdat de vrouw zelf aangaf per se niet in de woning te willen blijven wonen.
15. Het hof overweegt als volgt. De voorzieningenrechter treft slechts een voorlopig oordeel; dit voorlopige oordeel kan feitelijk tot gevolg hebben dat de voorlopige maatregel een definitief gevolg heeft. Als de vrouw de woning moet verlaten in het kader van een procedure in kortgeding heeft dit dus voor haar een definitief gevolg. De voorzieningenrechter dient dus op een zorgvuldige wijze rekenschap te geven van zijn voorlopige oordeel waarbij de voorzieningenrechter een inschatting dient te maken hoe mogelijk in de bodemprocedure de bodemrechter zal oordelen. Voor een wijziging of ontbinding van een overeenkomst in kort geding is geen plaats aangezien een dergelijke vordering alleen door de bodemrechter kan worden beslist (Hoge Raad 6 april 2012, NJ 2012/234). In het onderhavige geval gaat het slechts om de uitleg van een overeenkomst.
16. De uitleg van de overeenkomst dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf (Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635). De vraag hoe in een overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.
17. De Haviltexmaatstaf is ook van toepassing indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beider interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is (Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303). Het hof moet dan ook mede in het licht van de door partijen aangevoerde omstandigheden vaststellen hoe de overeenkomst moet worden uitgelegd. 18. Het hof is, anders dan de vrouw, van oordeel dat – ook al is sprake van een procedure in kort geding – er ruimte is voor het toepassen van de Haviltexmaatstaf, nu een nader feitenonderzoek voor de toepassing van deze maatstaf in het onderhavige geval niet nodig is.
19. Het hof is, met de voorzieningenrechter, van oordeel dat – gezien de omstandigheden van het geval – een redelijke uitleg van de afspraken van partijen met zich meebrengt dat de vrouw binnen een redelijke termijn over andere woonruimte dient te beschikken, en oordeelt daartoe als volgt.
20. Vast staat dat de man met ingang van 11 januari 2019 in beginsel met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het huren van de woning en dat de vrouw derhalve met ingang van die datum niet in de woning kan wonen, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Vast staat ook dat partijen hebben afgesproken dat de vrouw in de woning mag blijven wonen totdat zij andere geschikte woonruimte heeft gekregen.
21. In haar eerste grief stelt de vrouw dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.2 ten onrechte heeft overwogen:
“Tussen partijen is evenwel in geschil welke redelijke termijn aan de vrouw zou moeten worden gegund om een geschikte woning te vinden.”. Volgens de vrouw hebben partijen immers helemaal geen termijn afgesproken.
22. Echter, de vrouw heeft niet gegriefd tegen de overweging van de voorzieningenrechter in de zin daarvoor, waarin wordt overwogen dat de vrouw erkent dat partijen niet hebben beoogd dat de vrouw tot in lengte van dagen in de huurwoning zou kunnen blijven wonen. Hieruit volgt dat partijen in ieder geval enige termijn voor ogen hebben gehad waarbinnen de vrouw over eigen woonruimte zou moeten beschikken. Een redelijke uitleg van de overeenkomst die partijen hebben gesloten, brengt dit ook met zich mee. Daarbij overweegt het hof dat de vrouw in de periode van het maken van de afspraken heeft aangegeven dat zij niet in de woning wenste te blijven wonen. Zo blijkt uit het bestreden vonnis, rechtsoverweging 4.1, onweersproken dat de vrouw reeds gedurende de echtscheidingsprocedure in 2018 heeft aangegeven niet in de woning te willen blijven wonen. Ook in de onderhavige procedure heeft zij in de conclusie van antwoord gesteld dat zij, vanwege door haar gestelde in de woning opgedane traumatische ervaringen, niet in de woning wenste te blijven wonen en dat zij druk doende is om andere woonruimte te verkrijgen. Zij geeft aan dat zij, vanwege de woningnood in Den Haag, ook op zoek is naar een woning in Delft, Zoetermeer en Voorburg.
23. De vrouw is in ieder geval vanaf de datum echtscheidingsbeschikking, derhalve vanaf 27 juli 2018, op de hoogte van het feit dat zij op zoek zou moeten naar andere woonruimte. Van de vrouw had in redelijkheid mogen worden verlangd dat zij de man had geïnformeerd omtrent het vinden van een woning te meer daar de man ook een zwaarwegend belang heeft om de woning te kunnen bewonen. Zeker op het moment dat de advocaat van de man per e-mailberichten in november 2018 (overgelegd door de man bij zijn memorie van antwoord) bij de advocaat van de vrouw informeert of de vrouw al zicht heeft op een andere woning, volstond het naar het oordeel van het hof voor de vrouw niet om bij monde van haar advocaat alleen maar te zeggen dat zij niet gehouden was om de man op de hoogte te houden.
24. De vrouw heeft ook in de onderhavige procedure niets in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij enige poging heeft gedaan om, in ieder geval sinds juli 2018, eigen woonruimte te vinden. Het enkele feit dat er in Den Haag sprake is van woningnood ontslaat de vrouw niet van haar verplichting om een passende woning te zoeken in Den Haag en omstreken.
25. Het vorenstaande in acht nemend is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter op goede gronden heeft beslist. Het hof zal het bestreden vonnis derhalve bekrachtigen.
26. Gezien het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet het hof in deze aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.