Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/09/550695 / HA ZA 18-373
arrest van 2 juni 2020
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De Schuldenaar[ [geïntimeerde 1] handelend voor zich in privé en [geïntimeerde 2] , zowel tezamen als ieder afzonderlijk]
verklaarde het recht van hypotheek en de pandrechten aan de Bank te verlenen, in de eerste plaats tot zekerheid voor de voldoening van de lening en van al hetgeen de Schuldenaar uit hoofde van de in deze Akte vastgestelde overeenkomst aan de Bank schuldig is of zal worden en voorts voor al hetgeen:
De pandgever verbindt zich hierbij tot verpanding aan de Bank van al zijn navolgende Goederen:
Onlangs ontvingen wij uw verzoek om de hypothecaire inschrijving van de heer [geïntimeerde 1] en mevrouw [geïntimeerde 2] gedeeltelijk door te halen. Dit betreft de [adres 1] te [postcode] [woonplaats 2] , (...)
aflossing hypotheek”. Dit betrof de hypotheekschuld van [geïntimeerde 1] c.s. voor de woning.
Uw hypotheek is gewijzigd. Hierdoor verandert ook het bedrag dat u maandelijks voor uw hypotheek betaalt. In de bijlage vindt u het nieuwe overzicht van uw hypotheek en de bijbehorende leningdelen (of leningdeel). (...)
Voor zover ik kan overzien is de rekening-courant vordering van Beheer jegens de bestuurder niet verpand. Graag ontvang ik dienaangaande uw bevestiging. (...)
Daarnaast is de rekening-courant vordering van Beheer jegens de bestuurder wel aan de bank verpand (…).
Voor de goed orde bevestig ik u dat ik u gevraagd heb om betaling van het volle bedrag van de verkoopopbrengst van het kantoorgedeelte. Dit betekent dat ik van u, bij deze herhaald, maar vorder dat u binnen tien dagen na heden € 51.230,-- over te maken op de boedelrekening (…).”
grief 1betoogt de curator dat hij inningsbevoegd is om de rekening-courantvordering van Beheer op [geïntimeerde 1] te incasseren. Hij voert daartoe aan dat de Bank hem middels de mail van 1 november 2017 heeft gevraagd om
de debiteurenincassoop zich te nemen en dat de Bank ook de rekening-courantvordering van Beheer op [geïntimeerde 1] tot de post debiteuren rekende.
In het faillissement van Heipalen troffen wij € 7.000,- aan debiteuren aan, voorzover kan worden overzien verpand aan de bank. Graag vernemen wij of de bank voor incasso gaat zorgen”. De Bank reageert daarop in haar e-mail van 1 november 2017 als volgt: “
Tot slot de debiteurenincasso. Wilt u de debiteurenincasso op zich nemen (…)? Indien u dit wilt doen, graag de betalingen laten binnenkomen op de ABN AMRO rekeningen van [geïntimeerde 1] Heipalen B.V.”. Dat de Bank daarmee (mede) toestemming aan de curator heeft gegeven om de rekening-courantvordering van Beheer op [geïntimeerde 1] te innen is hierin niet te lezen, temeer niet nu het geciteerde verzoek van de Bank ziet op een andere vordering van een andere omvang die aan een andere schuldeiser toebehoort. Dat de Bank sedert de aanvang van de procedure niet kenbaar heeft gemaakt dat de incasso van de rekening-courantvordering niet aan de curator uit handen is gegeven, maakt het voorgaande niet anders. Hieruit volgt evenmin dat de curator de voor incasso vereiste toestemming van de Bank heeft verkregen. De curator heeft in hoger beroep ook verder niets gesteld op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat hij van de Bank toestemming heeft verkregen om de rekening-courantvordering te innen. Het voorgaande brengt mee dat de curator niet inningsbevoegd is ten aanzien van de rekening-courantvordering van € 40.679,23 van Beheer op [geïntimeerde 1] .
Grief 1faalt.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.8 dat de curator onvoldoende heeft gesteld om vast te stellen welke concrete rechtshandeling(en) hij beoogt te vernietigen en dat onduidelijk is welke wederpartij de curator bij deze vordering op het oog heeft. Als gevolg hiervan kon de rechtbank ook niet beoordelen of deze wederpartij wetenschap van benadeling van schuldeisers had en waaruit deze benadeling zou bestaan, zodat de vordering van de curator op grond van artikel 51 Fw Pro is afgewezen.
Grief 2treft daarom geen doel.
grieven 3 tot en met 7.
grief 8klaagt de curator erover dat de rechtbank hem niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering van € 40.697,23, zijn overige vorderingen heeft afgewezen en hem heeft veroordeeld in de proceskosten. Nu uit het voorgaande volgt dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, kan ook deze grief niet slagen.