ECLI:NL:GHDHA:2019:994
Gerechtshof Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in verzoek tot wraking in familierechtelijke procedure
In een familierechtelijke procedure heeft verzoeker driemaal een wrakingsverzoek ingediend zonder tussenkomst van een advocaat, terwijl procesvertegenwoordiging verplicht is. Het eerste en tweede verzoek werden reeds niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker zijn verzoek niet door een advocaat liet ondertekenen, ondanks herhaalde kansen dit te herstellen.
Het derde wrakingsverzoek richtte zich tegen de leden van de wrakingskamer die de beslissing op het tweede verzoek hadden genomen. Ook dit verzoek was niet ondertekend door een advocaat, en verzoeker was op de hoogte van deze verplichting. Daarnaast kon het derde verzoek niet slagen omdat het zich richtte tegen rechters die geen zaak meer behandelden, waardoor wraking niet mogelijk was.
De wrakingskamer zag daarom geen aanleiding om het verzoek alsnog in behandeling te nemen of mondeling te behandelen. Klachten over de afhandeling van het tweede wrakingsverzoek werden niet inhoudelijk behandeld, en verzoeken tot verwijzing van de hoofdzaak naar een ander gerechtshof werden niet door de wrakingskamer beoordeeld.
De beslissing van 26 maart 2019 verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het derde wrakingsverzoek en bevestigt de strikte toepassing van de verplichting tot procesvertegenwoordiging in familierechtelijke procedures.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot wraking wegens het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging en het ontbreken van grond voor wraking.