ECLI:NL:GHDHA:2019:855

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2019
Publicatiedatum
19 april 2019
Zaaknummer
22-002262-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wederrechtelijke toe-eigening identiteitskaart

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor verduistering en subsidiair wederrechtelijke toe-eigening van een identiteitskaart en/of geldbedrag van een ander. De rechtbank had verdachte deels veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis en sprak verdachte vrij.

Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte geld of een identiteitskaart uit de portemonnee van de aangeefster had weggenomen. Verdachte had de identiteitskaart slechts kort in bezit en er was geen bewijs van een daadwerkelijke daad van toe-eigening.

Daarnaast was vastgesteld dat verdachte een hotelreservering had gemaakt onder de naam van de aangeefster, maar er was geen bewijs dat de identiteitskaart daadwerkelijk was gebruikt. De enkele omstandigheid dat de kaart in een geleende jas zat en dat verdachte zich als aangeefster meldde, was onvoldoende voor een veroordeling.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraf werd afgewezen omdat verdachte werd vrijgesproken. Het arrest werd gewezen door het hof Den Haag op 10 april 2019.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijke toe-eigening van de identiteitskaart.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002262-18
Parketnummers: 10-126162-16 en 10-081098-15 (TUL)
Datum uitspraak: 10 april 2019
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2018 en de van dat vonnis deel uit makende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1997,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 27 maart 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,--, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.
Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de door de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 10 december 2015 onder parketnummer 10-081098-15 opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 30 uren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks 13 juni 2016 tot en met 16 juni 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
- een identiteitskaart en/of
- een geldbedrag van ongeveer 200 euro,
in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij in of omstreeks 13 juni 2016 tot en met 16 juni 2016 te Rotterdam opzettelijk een identiteitskaart in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd. Het hof acht niet komen vast te staan dat de verdachte geld en/of een identiteitskaart uit een portemonnee van aangeefster heeft gehaald.
De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van hetgeen primair is ten laste gelegd.
Voorts is het hof – met de raadsman - van oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte op 16 juni 2016 een online boeking via haar eigen email-adres heeft gedaan bij het [hotel] in Rotterdam onder de naam van [aangeefster] en zich bij de receptie heeft gemeld als mevrouw [aangeefster] (hierna: aangeefster).
Uit het dossier valt echter niet af te leiden dat de verdachte daarbij ook de identiteitskaart van aangeefster heeft gebruikt dan wel deze heeft gebruikt op enig ander moment.
Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat de verdachte als heer en meester heeft beschikt over de identiteitskaart van aangeefster. De enkele omstandigheid dat de verdachte de identiteitskaart, die in een door haar geleende jas zat, bij zich had en dat zij een hotelreservering heeft gemaakt onder de naam van aangeefster, zodat zij zich zo nodig met de identiteitskaart van aangeefster zou kunnen legitimeren, is in de gegeven situatie onvoldoende om te oordelen dat er sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening als bedoeld in artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Daarbij is van belang dat de verdachte de identiteitskaart slechts relatief korte tijd in haar bezit heeft gehad en dat van een daadwerkelijke daad van toe-eigening niet is gebleken.
De verdachte dient daarom ook te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.
Vordering tenuitvoerlegging
Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 10 december 2015 onder parketnummer 10-081098-15 opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 30 uren.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal die vordering worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en
spreekt de verdachtedaarvan
vrij.
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 10 december 2015 onder parketnummer 10-081098-15 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 30 uren.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C.R. Derkx,
mr. B.P. de Boer en mr. J.M. ten Voorde, in bijzijn van de griffier R. Luijken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2019.
Mr. J.M. ten Voorde is buiten staat dit arrest te ondertekenen.