ECLI:NL:GHDHA:2019:836
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voorlopige zorgregeling in kort geding omgang minderjarige
De man is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin een voorlopige zorgregeling voor omgang met zijn minderjarige dochter werd vastgesteld. De relatie tussen partijen was beëindigd en de minderjarige verbleef bij de vrouw. De man had enkele weken geen contact met de minderjarige en vorderde een ruimere omgangsregeling.
De voorzieningenrechter had een regeling getroffen waarbij de man eenmaal per veertien dagen, onder begeleiding van de ouders van de vrouw, contact mocht hebben gedurende anderhalf uur. De man stelde dat deze regeling niet in het belang van de minderjarige was en dat hij daartoe onder dwang had ingestemd. De vrouw voerde verweer met verwijzing naar zorgen over mishandeling, ernstige beschuldigingen tegen de man en diens psychische gesteldheid.
Het hof oordeelde dat tussen partijen rechtsgeldig een voorlopige zorgregeling tot stand was gekomen en dat de man niet gedwongen was akkoord te gaan. Het hof benadrukte dat in kort geding geen volledige belangenafweging kan worden gemaakt over de zorgregeling en dat het onderzoek door de raad voor de kinderbescherming en de bodemprocedure daarvoor zijn plaats hebben. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en compenseerde de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige zorgregeling en wijst het hoger beroep van de man af.