Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Voor de vader is mevrouw I.G.S. Ringelé opgetreden als tolk in de Engelse taal;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft een hoger beroep over internationale kinderontvoering waarbij de moeder met de minderjarige zonder toestemming van de vader van Frankrijk naar Nederland vertrok. De vader, die gezamenlijk gezag uitoefent, verzocht via de Franse en Nederlandse Centrale Autoriteiten om teruggeleiding van het kind naar Frankrijk.
Het hof oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige voorafgaand aan de overbrenging Frankrijk was, ondanks inschrijving in Nederland en aanwezigheid van huisarts en verzekering daar. De moeder slaagde er niet in aan te tonen dat de vader toestemming had gegeven of had berust in de overbrenging.
De moeder voerde een beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV Pro aan wegens een onveilige situatie bij de vader en een ernstige beperking van contact met de moeder. Het hof volgde dit niet en oordeelde dat de situatie geen ernstig risico voor het kind oplevert en dat de beperkte omgang geen weigeringsgrond vormt, mede omdat de moeder een procedure in Frankrijk is gestart.
De terugkeer naar Frankrijk werd gelast uiterlijk 1 december 2019. De moeder werd veroordeeld tot betaling van de reis- en verblijfkosten van de vader, begroot op €1.415,37. De proceskosten werden gecompenseerd en het verzoek tot uitvoerbaarheid bij voorraad werd afgewezen omdat cassatie niet openstaat.
Uitkomst: De minderjarige moet uiterlijk 1 december 2019 terugkeren naar Frankrijk en de moeder wordt veroordeeld tot betaling van de reis- en verblijfkosten van de vader.