Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Procedure in hoger beroep
2.Beoordeling van het hoger beroep
(…)
Gerechtshof Den Haag
De huurder, sinds 1999 bewoner van een sociale huurwoning, werd door de verhuurder Vestia aangesproken wegens het niet hebben van zijn hoofdverblijf in het gehuurde. De kantonrechter oordeelde dat de huurder niet in de woning woonde en dat dit een tekortkoming was die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigde. De huurder voerde verweer met diverse bewijsstukken, waaronder getuigenverklaringen en medische documenten, maar slaagde er niet in het bewijsvermoeden te ontzenuwen.
In hoger beroep stelde de huurder dat zijn vriendin mede in de woning woonde en dat hijzelf ook hoofdverblijf had, ook tijdens buitenlandse verblijven. Het hof wees dit af omdat de vriendin geen medehuurder was en er geen nieuwe bewijsstukken waren overgelegd. Het hof onderschreef de eerdere bewijswaardering en concludeerde dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning had.
Het hof vond dat de belangen van de verhuurder om de woning aan anderen te verhuren zwaarder wegen dan het belang van de huurder, mede gezien de schaarste aan sociale huurwoningen. Het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd, inclusief de veroordeling van de huurder tot ontruiming en betaling van huurachterstanden en proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst wegens het ontbreken van het hoofdverblijf van de huurder in de woning.