ECLI:NL:GHDHA:2019:3803
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afwijzing vordering doorhaling beslag en schorsing tenuitvoerlegging echtscheidingsuitspraak
Partijen zijn gescheiden en hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de gemeenschappelijke woning, waarbij [Vrouw EEN] de woning toebedeeld kreeg tegen een waarde van €385.000,- en een overbedelingsbetaling aan [Vrouw TWEE] van €163.500,-. Na betekening van het proces-verbaal werd deze betaling gevorderd en heeft [Vrouw TWEE] executoriaal derdenbeslag gelegd op bankrekeningen van [Vrouw EEN].
[Vrouw EEN] startte een kort geding om doorhaling van het beslag en schorsing van de tenuitvoerlegging te verkrijgen, maar haar vorderingen werden afgewezen. In hoger beroep vordert zij vernietiging van dat vonnis en alsnog toewijzing van haar eisen, waaronder doorhaling van het beslag en een voorschot op schadevergoeding wegens onrechtmatige beslaglegging.
Het hof oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat de hoofdsom inmiddels is geïncasseerd en de beslagen zijn opgeheven. Een schorsing van tenuitvoerlegging met terugwerkende kracht is niet mogelijk en er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat nieuwe beslagen zullen volgen. De vordering tot voorschot op schadevergoeding is geen ordemaatregel en vereist eveneens spoedeisend belang, dat ontbreekt.
Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en het bestreden vonnis bekrachtigd. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van [Vrouw EEN] af wegens ontbreken van spoedeisend belang.