ECLI:NL:GHDHA:2019:3727
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs opzettelijk aanwezig hebben harddrugs in woning
De zaak betreft het hoger beroep tegen een veroordeling van de politierechter wegens het opzettelijk aanwezig hebben van circa 38,72 gram cocaïne in de woning van de toenmalige vriendin van de verdachte te Veenendaal in augustus 2017.
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis gevorderd met een gevangenisstraf van twee maanden. Het hof heeft het bewijs en de verklaringen onderzocht, waaronder die van een medeverdachte die drugsverkoop voor de verdachte en zijn broer verklaarde.
Tijdens de doorzoeking werden cocaïnevoorwerpen in mandjes in de slaapkamer aangetroffen, terwijl de verdachte op dat moment met zijn vriendin op vakantie was. De verdachte verklaarde verantwoordelijk te zijn voor wat in de woning werd aangetroffen, maar ontkende dat de drugs van hem waren en gaf aan de sleutel aan een ander te hebben gegeven.
Het hof oordeelt dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte wetenschap had van de drugs of dat deze zich in zijn machtssfeer bevonden. De verklaring van de medeverdachte is onvoldoende, mede omdat de drugs op een andere plaats werden gevonden dan aangegeven. Het hof vernietigt het vonnis en spreekt de verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en machtssfeer over cocaïne in woning.