ECLI:NL:GHDHA:2019:3725
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdverblijfplaats minderjarige bij moeder en afwijzing verzoek kindgebonden budget
In deze civiele zaak tussen de vader en moeder van een minderjarige heeft het hof het hoger beroep van de vader behandeld tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag. De vader verzocht primair om vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem en subsidiair om betaling van de helft van het kindgebonden budget door de moeder.
Het hof oordeelt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige min of meer gelijk verdeeld is tussen beide ouders, met een lichte voorkeur voor de moeder. De moeder draagt de verblijfsoverstijgende kosten en heeft aannemelijk gemaakt dat het kindgebonden budget ten behoeve van het kind wordt gebruikt. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zou onrust veroorzaken en is niet in het belang van het kind.
Het subsidiaire verzoek tot verdeling van het kindgebonden budget wordt eveneens afgewezen omdat het bestaan van een overeenkomst hierover niet is aangetoond. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats bij de moeder en wijst het verzoek tot verdeling van het kindgebonden budget af.