ECLI:NL:GHDHA:2019:3694

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2019
Publicatiedatum
28 januari 2020
Zaaknummer
22-003830-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis wegens wederspannigheid en niet voldoen aan ambtelijk bevel

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel en wederspannigheid jegens politieambtenaren tijdens de uitvoering van een bevel tot sluiting van zijn woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het incident vond plaats op of omstreeks 21 maart 2018 te Rotterdam, waarbij verdachte zich met geweld verzette tegen meerdere politieambtenaren die het bevel uitvoerden.

De politierechter veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en legde daarnaast een schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van de benadeelde partijen. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.

Het gerechtshof Den Haag heeft het vonnis van de politierechter bevestigd na behandeling van het hoger beroep op 13 februari 2019. Het hof vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beslissing en oordeelde dat de bewezenverklaring en strafoplegging rechtmatig waren. De verzetshandelingen van verdachte, waaronder het vasthouden van de deurpost, wild om zich heen slaan, en het verzetten tegen politieambtenaren terwijl hij op de grond lag, werden als bewezen beschouwd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 weken gevangenisstraf, waarvan 2 voorwaardelijk, wegens wederspannigheid en niet voldoen aan een ambtelijk bevel.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003830-18
Parketnummer: 10-056635-18
Datum uitspraak: 27 februari 2019
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 september 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte].

geboren te [plaats] op [datum].
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 13 februari 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder
1. en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:
hij op of omstreeks 21 maart 2018 te Rotterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 13b van de Opiumwet, gedaan door de burgemeester van Rotterdam, de heer [naam burgemeester], op 19 maart 2018 door, nadat de ambtenaren, [1] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [2] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [3] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [4] (aspirant van politie Eenheid Rotterdam) en/of [5] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [6] (hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam) en/of [7] (hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam), belast met de uitoefening van het door de burgemeester hierboven genoemde bevel en/of vordering, hem hadden bevolen of van hem hadden gevorderd de woning te verlaten, hieraan geen gevolg te geven;
2:
hij op of omstreeks 21 maart 2018 te Rotterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, [1] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [2] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [3] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [4] (aspirant van politie Eenheid Rotterdam) en/of [5] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam) en/of [6] (hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam) en/of [7] (hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten uitvoering geven aan het door de burgemeester van de Rotterdam, de heer [naam burgemeester], afgegeven bevel en/of vordering van 19 maart 2018, te weten het bevel en/of de vordering de woning van [naam verdachte](adres) te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet, door
- de deurpost vast te houden en/of zich naar achteren te duwen en/of
- door wild om zich heen te slaan en/of
- nadat hij was vastgepakt door die [6]en/of [2] zich te verzetten en/of (proberen) los te trekken en/of
- terwijl hij op de grond lag te spartelen met zijn armen en benen en/of
- met zijn armen en/of benen om zich heen te slaan en te trappen en/of
- zich met zijn gehele lichaam te verzetten
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten letsel aan de linkerhand bij die [1] en/of een bebloede en/of opgezwollen linkeroog en/of wang en/of een bloedneus bij die [2] ten gevolge heeft gehad.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. H.P.CH. van Dijk en mr. K. Schaffels, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2019.